Alle soorten › Zangvogels › Vireo's › Roodoogvireo
Roodoogvireo | Vireo olivaceus
Red-eyed Vireo | Vireo ojirrojo
De roodoogvireo is de stem van het zomerse loofbos in het oosten: onzichtbaar hoog in het bladerdak, en toch de hele dag hoorbaar, ook op het middaguur wanneer al het andere zwijgt. Eén mannetje kan er meer dan twintigduizend korte zinnetjes op een dag uitpersen. Van dichtbij blijkt de zanger een strak getekend, olijfgroen vogeltje met een witte wenkbrauwstreep en een dieprode iris.
Geluid
De zinnetjes klinken alsof er om beurten een vraag en een antwoord komt: een omhoog buigend tsjer-wiet, een pauze, en dan een omlaag buigend tsjie-wjoe, eindeloos in wisselende volgorde. Elk mannetje beschikt over enkele tientallen van die motieven en herhaalt er nooit twee direct achter elkaar. Het geluid komt bijna altijd van hoog uit het blad en verplaatst zich langzaam, doordat de vogel al zingend verder schuift. Het wordt vaak verward met de roodborstlijster, die voller en rijker klinkt en juist in reeksen van meerdere zinnen achter elkaar zingt.
Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 3.0 · Summit Peak Scenic Area, Porcupine Mountains SP, Ontonagon, Michigan, United States · xeno-canto
Herkenning
Olijfgroen van boven, wit van onderen, zonder vleugelstrepen en zonder een vlek ergens: de eenvoud zelf. De kop draagt de determinatie: een grijsblauwe kruin, een witte wenkbrauwstreep met daarboven en daaronder een zwarte rand, en een donkere streep door het oog. Bij volwassen vogels is de iris dieprood, wat alleen van dichtbij en bij goed licht te zien is; vogels in hun eerste najaar hebben een bruin oog en zijn geler op de flanken. Man en vrouw zijn niet te onderscheiden. Vliegend van boom naar boom is het een klein groengrijs schichtje zonder houvast — alles zit in de kop.
Verwarringssoorten
De orpheusvireo (Vireo gilvus) is grauwer en valer, mist de zwarte randen om de wenkbrauwstreep en heeft een lichter, bruin oog. De Philadelphiavireo (V. philadelphicus) is kleiner, geel op keel en borst en korter van snavel, en blijft meestal lager zitten. De Tennesseezanger (Leiothlypis peregrina) lijkt er in het najaar sterk op, maar heeft een dunne, spitse snavel en beweegt veel sneller en onrustiger. Bij twijfel: de scherpe zwarte rand boven de witte wenkbrauwstreep heeft alleen de roodoogvireo.
Leefgebied
Hij broedt in loofbos en gemengd bos met een gesloten kroondak en een struiklaag eronder, van moerasbos en beekbegeleidend bos tot esdoorn en eik op de heuvels; naar het noorden toe gaat dat over in esp en berk tussen de naaldbomen. Grote, aaneengesloten boscomplexen hebben zijn voorkeur boven verspreide bosjes. Op trek is hij veel minder kieskeurig en duikt hij op in parken, tuinen, houtwallen en struweel langs de kust. Kaalslag en jong opgaand hout mijdt hij tot het kroondak zich weer heeft gesloten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van Brits-Columbia en het zuiden van de Northwest Territories oostwaarts tot Newfoundland en zuidwaarts tot in Texas en Florida, en is daarmee een van de talrijkste bosvogels van het werelddeel. In augustus en september trekt hij weg over de Golf van Mexico en door Midden-Amerika, met kleinere aantallen over Cuba en de Bahama's. De winter brengt hij door in het Amazonebekken, ver ten zuiden van het kaartvenster van deze gids; op de kaart hiernaast staat dus alleen wat er hier van hem te zien is. Anders dan bij veel bosvogels neemt zijn aantal toe, met ongeveer een half procent per jaar, doordat verlaten landbouwgrond in het oosten weer bos is geworden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in juni op een warme middag een loofbos in en blijf staan: als er om één uur nog iets zingt, is dit het bijna zeker. Volg de zang langzaam en kijk niet naar de grond maar naar de onderkant van de bladeren, op zeven tot vijftien meter hoogte. Het beste ogenblik komt als de zang even stokt: dan staat de vogel stil, en pas dan valt de witte wenkbrauwstreep tussen het blad op.
Staat van instandhouding
De broedpopulatie wordt op ongeveer 130 miljoen vogels geschat en nam tussen 1966 en 2019 licht toe; de Rode Lijst noemt de soort niet bedreigd. Wel is hij een van de meest gekozen gastheren van de bruinkopkoevogel, die haar ei in het nest legt; in versnipperd bos loopt dat hoog op, in aaneengesloten bos veel minder. Als nachttrekker over lange afstand is hij bovendien kwetsbaar voor botsingen met verlichte gebouwen en masten.
Wetenschappelijke naam
Vireo olivaceus | (Linnaeus, 1766)
Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Muscicapa olivacea, bij de vliegenvangers; sinds ze in Vireo is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht werd in 1808 ingevoerd door Vieillot en gaat terug op vireo, bij Plinius de naam van een groen vogeltje, van het Latijnse virere, 'groen zijn'. olivaceus betekent 'olijfkleurig'. De typelocatie die AviList noemt ligt in de Yungas van Bolivia, ver ten zuiden van elk broedgebied van de soort.




