Alle soortenRoofvogelsHavikachtigen › Steenarend

Steenarend | Aquila chrysaetos

Golden Eagle | Águila real

De grootste roofvogel van open Noord-Amerika, met een spanwijdte tot ruim twee meter en een goudbruine glans over kruin en nek die hem zijn naam gaf. Hij jaagt op hazen, grondeekhoorns en prairiehonden en kan in een stootduik bijna driehonderd kilometer per uur halen. Hij komt rond de hele noordelijke halfrond voor en is in Mexico het nationale symbool, afgebeeld op vlag en wapen.

Steenarend (Aquila chrysaetos)
Foto: Juan Lacruz — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zwijgzame vogel: buiten het broedseizoen hoor je hem vrijwel nooit. Wat hij laat horen is hoog, dun en zwak voor zo'n groot dier — een gefloten wip of wonk, waarmee volwassen vogels bij het nest een prooilevering aankondigen. Jongen op het nest bedelen met een hoog, aanhoudend geluid dat bij stil weer meer dan een kilometer draagt. Geluid is dus zelden het middel om hem te vinden; wie hem zoekt kijkt naar de lucht boven de bergrug.

Luister: RoepXC1145141

Opname: Pascal Christe — CC BY-SA 4.0 · Boltigen, Obersimmental, Bern, Switzerland · xeno-canto

Herkenning

Volwassen vogels zijn egaal donkerbruin met een goudbruine waas over achterhoofd en nek, zichtbaar als het licht er goed op valt; de poten zijn tot op de tenen bevederd. In de zweefvlucht houdt hij de vleugels in een flauwe V, met gespreide, vingerachtige handpennen, en het silhouet is herkenbaar aan de kleine kop en de lange staart, die verder achter het lichaam uitsteekt dan de kop ervoor. De vleugels zijn breed maar snoeren bij het lichaam duidelijk in. Jonge vogels hebben scherp begrensde witte velden aan de basis van de staart en in de handpennen, die in de eerste vijf jaar geleidelijk verdwijnen. Zoals bij vrijwel alle haviken en arenden is het vrouwtje groter en zwaarder dan het mannetje — bij een paar op dezelfde rots is dat verschil goed te zien.

Verwarrings­soorten

De onvolwassen amerikaanse zeearend is de belangrijkste verwarringssoort: die heeft een veel zwaardere kop en snavel, houdt de vleugels vlak, en het wit op lichaam en ondervleugeldekveren is onregelmatig gevlekt in plaats van in scherpe velden begrensd. De kalkoengier zweeft ook met opgeheven vleugels maar wiegt voortdurend, is kleiner van lichaam en heeft een tweekleurige ondervleugel met een lichte achterrand over de hele lengte. De koningsbuizerd is fors en lichtkoppig, maar heeft een korte, bleke staart en witte handpenvelden bovenop de vleugel. Een donkere roodstaartbuizerd is aanzienlijk kleiner en heeft een kortere, brede staart zonder de lange achterlijn van een arend.

Leefgebied

Open en halfopen land met natuurlijke begroeiing: berghellingen, canyons, kliffen, sagebrushsteppe, kortgrasprairie, woestijnrand en, in het noorden, toendra tot voorbij de boomgrens. Hij nest bij voorkeur op een rotswand, maar ook in een grote boom of op een hoogspanningsmast. Dichte bossen en bebouwd gebied mijdt hij; wat hij nodig heeft is uitzicht, opgaande wind langs een helling en een prooidier van formaat. In de winter komt hij in de laagvlakten ook op kadavers af.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel in vrijwel het hele westen van Noord-Amerika, van Alaska en Brits-Columbia tot in het noorden en midden van Mexico, en met een aparte oostelijke populatie die in Noord-Quebec, Labrador en Noord-Ontario broedt en op de beboste bergruggen van de Appalachen overwintert. Noordelijke vogels trekken weg, zuidelijke blijven het hele jaar in hun territorium. De oostelijke trek volgt de bergruggen: van half oktober tot begin december zuidwaarts, in maart en april terug, en op de trektelposten langs die ruggen is hij dan jaarlijks te verwachten. Buiten Amerika komt de soort door heel Europa, Noord-Afrika en Azië voor.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem op een heldere ochtend met wind tegen een lange bergrug of canyonwand: daar zweeft hij zonder vleugelslag langs de opgaande luchtstroom, en de combinatie van kleine kop, lange staart en flauwe V is ook op grote afstand te lezen. In het oosten zijn de trektelposten op de Appalachse ruggen in november en in maart de betrouwbaarste plek; let dan op de scherp begrensde witte velden van jonge vogels.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ongeveer honderddertigduizend vogels geschat en is sinds 1966 ongeveer stabiel; de oostelijke Noord-Amerikaanse populatie telt naar schatting vijfduizend vogels of iets meer. Ruim zeventig procent van de geregistreerde sterfgevallen is door de mens veroorzaakt: loodvergiftiging na het eten van met hagel of kogelresten besmet aas, elektrocutie op elektriciteitsmasten, aanvaringen met windturbines en met voertuigen bij kadavers langs de weg. Omdat een paar pas na vier of vijf jaar tot broeden komt en zelden meer dan één jong grootbrengt, werkt verlies van volwassen vogels lang door.

Wetenschappelijke naam

Aquila chrysaetos | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Falco Chrysaëtos, bij de valken; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aquila werd in 1760 ingevoerd door Brisson; aquila is gewoon het Latijnse woord voor 'arend'. chrysaetos gaat terug op het Griekse khrusos, 'goud', en aetos, 'arend', naar de goudbruine nekveren. Als typegebied gaf Linnaeus Europa op; hij beperkte dat in 1761 in de tweede druk van zijn Fauna Svecica tot Zweden.