Alle soortenSteltloperachtigenPlevieren › Bontbekplevier

Bontbekplevier | Charadrius hiaticula

Common Ringed Plover | Chorlitejo grande

De bontbekplevier broedt op de kiezelstranden en de kale toendra van Groenland en de hoogarctische eilanden van Nunavut, maar zijn winter ligt in de Oude Wereld: vrijwel alle vogels steken in het najaar de oceaan over naar West-Europa en West-Afrika. Hij is daarmee een van de weinige broedvogels van het gidsgebied die het werelddeel in oostelijke richting verlaten.

Bontbekplevier (Charadrius hiaticula)
Foto: Andreas Trepte — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een zacht, tweelettergrepig toe-lie, zuiver van toon en aan het eind omhoog — het kenmerk waaraan hij tussen andere kleine plevieren het snelst te herkennen is. In baltsvlucht, met trage, diepe, vlinderachtige vleugelslagen boven het broedterrein, herhaalt het mannetje een ritmisch toe-wieja toe-wieja, tientallen keren achtereen. Bij verstoring klinkt een kort, hard tjip, en bij het nest een aanhoudend gepiep waarmee de kuikens worden weggeleid. Van de Amerikaanse bontbekplevier scheidt de stem hem beslissender dan welk verenkleedkenmerk ook: die klinkt hees en stijgend, tsjoe-wiet, en veel minder zuiver van toon.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1174071

Opname: Philippe Grange — CC0 · Mairie de St André (near La Roche-sur-Yon), Vendée, Pays de la Loire, France · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, gedrongen plevier, zandbruin van boven en wit van onder, met één brede zwarte borstband, een zwart masker over het oog en een witte voorhoofdsvlek onder een zwarte kruinband. De snavel is kort en oranje met een zwarte punt, de poten zijn oranje. Het vrouwtje heeft doorgaans wat bruiner en smaller zwart in het gezicht; jonge vogels missen het zwart geheel — bij hen zijn masker en borstband bruin, de band vaak in het midden onderbroken, en de snavel is donker. In de vlucht valt een brede witte streep over de vleugel op, met een donkere staart met witte zijden. Hij loopt in korte spurtjes met abrupte stops en pikt met een snelle voorwaartse duik, en trippelt daarbij vaak met één poot op de modder om prooi op te jagen.

Verwarrings­soorten

De Amerikaanse bontbekplevier (Charadrius semipalmatus), die in het grootste deel van het gidsgebied zijn plaats inneemt, lijkt bijna volkomen op hem: hij is iets kleiner, heeft een smallere borstband, een korter snaveltje, een opvallende gele oogring en meestal geen wit achter het oog, en zijn roep is hees en stijgend in plaats van zuiver fluitend. De bontbekplevier heeft een bredere zwarte borstband, die in het midden het diepst is, en een witte wenkbrauwstreep die achter het oog doorloopt. De dwergplevier (C. melodus) is veel bleker, bijna zandwit van boven, met een oranje poot en een smalle, vaak onderbroken borstband. De killdeerplevier is veel groter, langstaartig en heeft twee borstbanden en een oranje stuit.

Leefgebied

Broedt op open, schaars begroeide grond zonder hoge vegetatie: kiezelstranden, zandvlakten, drooggevallen rivierbeddingen, kale toendra en de grindvlakten achter de kustlijn. Buiten de broedtijd staat hij op slikplaten, zandstranden en de modderranden van estuaria en lagunes, meestal in kleine losse groepjes en niet in dichte troepen. Hij mijdt gesloten begroeiing en steile oevers; het nest is niet meer dan een kuiltje in kiezel of zand, met vier eieren die van de steentjes eromheen bijna niet te onderscheiden zijn. Op doortrek gebruikt hij ook binnenlandse modderranden, rivieroevers en de drooggevallen randen van meren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

In het gidsgebied broedt hij langs vrijwel de hele kust van Groenland en op de hoogarctische eilanden van Nunavut — Baffineiland en Ellesmere — en in klein aantal in West-Alaska, op en rond Sint-Laurenseiland. Daarbuiten loopt zijn broedgebied over IJsland, Spitsbergen en Noord-Europa tot het Tsjoektsjenschiereiland in Oost-Siberië. De Groenlandse en Canadese vogels trekken in het najaar niet zuidwaarts langs de Amerikaanse kust maar oostwaarts over de oceaan, via IJsland en de Britse eilanden naar West-Europa en West-Afrika; op de Noord-Amerikaanse kusten is hij daardoor een schaarse verschijning, met de meeste gevallen op Newfoundland en langs de Atlantische kust in de nazomer. In West-Alaska is hij vooral in het late voorjaar te zien, wanneer Siberische vogels op Sint-Laurenseiland aanlanden.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

In het gidsgebied is dit een soort die je op geluid zoekt: sta in mei of begin juni op Sint-Laurenseiland of op een Groenlandse fjordvlakte en luister naar het zuivere, stijgende toe-lie tussen de hese roepen van de Amerikaanse bontbekplevieren. Langs de Atlantische kust loont het in augustus en september om elke groep kleine plevieren op borstbandbreedte en oogring na te lopen. Neem bij twijfel het geluid op: een opname draagt verder dan een beschrijving en is achteraf na te lopen.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ongeveer negenhonderdduizend vogels geschat en geldt als niet bedreigd. Aan de Europese kant nemen de aantallen op sommige kusten af door verstoring van broedende vogels op recreatiestranden en door het verdwijnen van kale kiezel- en zandvlakten; over de Groenlandse en Canadese broedvogels ontbreekt een langjarige telling. Voor de arctische populatie hangt veel af van de rustplaatsen langs de Europese en West-Afrikaanse kust, waar de vogels op de trek moeten bijtanken.

Wetenschappelijke naam

Charadrius hiaticula | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 in de tiende editie van Systema Naturae als Charadrius hiaticula; omdat ze nog altijd staat in het geslacht waarin hij haar plaatste, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Het geslacht Charadrius voerde hij in datzelfde werk in; het is laat-Latijn voor een geelachtige vogel uit de vierde-eeuwse Vulgaat, ontleend aan het Griekse kharadrios, een vogel van ravijnen en beekbeddingen. hiaticula is gevormd uit hiatus, 'spleet' of 'kloof', en -cola, 'bewoner' — 'die in spleten woont', naar het nestkuiltje tussen de kiezels. De naam was al vóór Linnaeus bij zestiende-eeuwse schrijvers voor deze vogel in gebruik. Als vindplaats gaf hij 'Europa en Amerika'; de typelocatie is later beperkt tot Zweden.