Alle soortenZangvogelsVireo's › Dikbekvireo

Dikbekvireo | Vireo crassirostris

Thick-billed Vireo | Vireo piquigrueso

De dikbekvireo is de vireo van het Bahamaanse en Caribische kustkreupelhout: een gedrongen vogel met een zware, aan de punt gehaakte snavel en gele brilvlekken. Hij is standvogel op zijn eilanden; in Noord-Amerika geldt hij als dwaalgast, met vrijwel alle waarnemingen aan de Atlantische kust van Zuid-Florida.

Dikbekvireo (Vireo crassirostris)
Foto: Gary.leavens — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje zingt het hele jaar door, ook buiten het broedseizoen. De zang is een korte, nasale frase van drie tot zes noten, meestal begonnen en besloten met een scherpe tsjik, en wordt met korte tussenpozen herhaald. Elk mannetje beschikt over enkele frasetypen die het achter elkaar afwerkt voordat het naar een volgend type overgaat. De roep is een raspend, nasaal mèèh, dat ook klinkt als een waarnemer te dicht bij het nest komt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Van boven grijsolijf tot bruinolijf, van onderen bleekgeel tot vuilgeel, met twee witte vleugelstrepen en twee gele vlekken vóór het oog die in een onvolledige oogring doorlopen. De snavel is naar vireomaatstaven zwaar en breed aan de basis, met een duidelijke haak. De iris is donkerbruin tot grijs. Mannetje en vrouwtje zijn niet aan het verenkleed te onderscheiden. De vogel beweegt zich traag en methodisch door het struweel en blijft daarbij meestal binnen de dekking.

Verwarrings­soorten

De witoogvireo is de belangrijkste verwarringssoort en overwintert in hetzelfde gebied. Die heeft een witte iris bij de volwassen vogel, witte in plaats van gelige onderdelen met scherp afgezette gele flanken, en een kleinere snavel. De dikbekvireo heeft diffuus geel over de hele onderzijde en een donkere iris. De zang van de witoogvireo is scherper en explosiever en bevat nabootsingen van andere soorten; die van de dikbekvireo is vlakker en nasaler. In Zuid-Florida is de combinatie van gele onderzijde, donker oog en zware snavel het bewijs.

Leefgebied

Droog kustkreupelhout op kalksteen (op de Bahama's 'coppice' genoemd), struweel achter de duinen, mangroverand en tweede-groei loofbos. Hij foerageert op alle hoogten van de begroeiing, maar het meest in de onderste helft, en leest insecten en kleine vruchten van blad en twijg. Aangeplante tuinen en verwaarloosde erven op bewoonde eilanden worden ook gebruikt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Vijf ondersoorten op afzonderlijke eilandgroepen: de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Île de la Tortue bij Haïti, de noordelijke cayos van Cuba en de Caymaneilanden. De soort trekt niet. In de Verenigde Staten gaat het om enkele tientallen aanvaarde waarnemingen, vrijwel alle in de kustparken van Zuidoost-Florida en op de Florida Keys, met een zwaartepunt tussen december en mei. Een enkele vogel heeft daar meerdere maanden gezongen en territorium gehouden.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek op geluid en niet op zicht: de vogel blijft in dicht kreupelhout en verraadt zich vooral door de herhaalde nasale frase. Op Florida's kust loont het om in het voorjaar elke 'witoogvireo' met gelige onderdelen na te kijken. Let daarbij op de iriskleur, want een eerstejaars witoogvireo heeft ook nog geen wit oog.

Staat van instandhouding

De IUCN rekent de soort tot de niet bedreigde categorie; de populatie geldt als stabiel en er zijn geen soortbrede bedreigingen vastgesteld. Op de afzonderlijke eilanden zijn de knelpunten lokaal: ontwikkeling van kustkreupelhout voor toerisme en woningbouw, en orkanen die de struiklaag over grote oppervlakten wegslaan. De ondersoort van Île de la Tortue heeft het kleinste areaal en is het slechtst bekend.

Wetenschappelijke naam

Vireo crassirostris | (Bryant, 1859)

Henry Bryant beschreef de soort in 1859 als Lanivireo crassirostris, naar een exemplaar van New Providence op de Bahama's; omdat ze later in Vireo is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Vireo is de Latijnse naam van een groene trekvogel, verwant aan virere 'groen zijn'. De soortnaam crassirostris komt van crassus 'dik' en rostrum 'snavel' — de Nederlandse en Engelse naam zijn er een letterlijke vertaling van.