Alle soortenSteltloperachtigenJagers › Kleinste jager

Kleinste jager | Stercorarius longicaudus

Long-tailed Jaeger | Págalo rabero

De kleinste jager is de slankste van de drie jagers: een zeevogel met lange smalle vleugels en twee zweepdunne staartpennen die achter hem aan wapperen. Hij broedt op de droge hoogarctische toendra en leeft daar vooral van lemmingen, maar brengt driekwart van het jaar door boven de open oceaan, tot ver op het zuidelijk halfrond. Jagers beroven andere zeevogels van hun vangst; deze soort doet dat het minst van allemaal en jaagt het liefst zelf.

Kleinste jager (Stercorarius longicaudus)
Foto: Bjørn Christian Tørrissen — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op het broedgebied laat hij een lange reeks van een stuk of twintig schrille noten horen, ongeveer tien seconden lang: de noten beginnen kort, worden in het midden van de reeks gerekt en eindigen weer kort. Die reeks is de territoriumroep, meestal gegeven vanaf een verhoging of in een zwevende vlucht met opgeheven vleugels. Wie te dicht bij het nest komt, krijgt een scherp, nasaal aanhoudend geblaf te horen terwijl het paar rakelings overduikt. Op zee is hij vrijwel altijd zwijgzaam; wie hem daar hoort, heeft geluk gehad.

Luister: RoepXC1157242

Opname: Teet Sirotkin — CC BY-SA 4.0 · N Ekkerøy, Vadsø, Finnmark, Norway · xeno-canto

Herkenning

Een slanke, tern-achtige zeevogel met een lichte, zwevende vlucht die eerder aan een grote stern dan aan een meeuw doet denken. De volwassen vogel is koel grijsbruin op de rug, met een scherp begrensde zwarte kap, een romige waas op de halszijden en een witte borst die naar achteren in donkergrijs overgaat. Alleen de twee buitenste slagpenschachten zijn wit, zodat de vleugel nauwelijks een lichte vlek toont — bij de andere jagers is die juist opvallend. De middelste staartpennen zijn dun en buigzaam en steken tot zo'n twintig centimeter voorbij de staart. Jonge vogels lopen uiteen van donkerbruin tot lichtgrijswit, maar zijn altijd koeler grijs dan die van de andere jagers, met scherpe dwarsbanden op onderstaartdekveren en ondervleugel en twee korte, stomp afgeronde middelste staartpennen. De snavel is kort en dik, met een lichte basis en een scherp afgetekende donkere punt.

Verwarrings­soorten

De kleine jager (Stercorarius parasiticus) is forser en warmer bruin, heeft een duidelijke witte vlek in de handpen, spitse maar veel kortere staartpennen en vaak een donkere borstband; ook bestaat van die soort een donkere vorm, wat bij de kleinste jager vrijwel nooit voorkomt. De middelste jager (Stercorarius pomarinus) is nog zwaarder gebouwd, met brede vleugels, een dikke snavel en gedraaide, lepelvormige uiteinden aan de middelste staartpennen. De grote jager (Stercorarius skua) en de zuidpooljager (Stercorarius maccormicki) zijn log en breedvleugelig, met grote witte vleugelvlekken en zonder verlengde staartpennen. Jonge jagers worden ook met jonge meeuwen verward; let dan op de scherp begrensde lichte snavelbasis en op het feit dat een jager altijd doelgericht en snel vliegt, nooit slenterend.

Leefgebied

Hij broedt op droge, winderige toendra: heuvelruggen, dwergstruikheide en steenachtige hellingen met uitzicht, altijd binnen bereik van vochtige laagten waar lemmingen en muizen zitten. Boven die laagten jaagt hij bidden, met de kop in de wind stil in de lucht hangend als een torenvalk, om zich dan op zijn prooi te laten vallen. Buiten de broedtijd is hij zuiver pelagisch: hij leeft op de open oceaan, boven de rand van het continentaal plat en langs stromen als de Golfstroom, en komt daar zelden of nooit aan land. Anders dan de meeuwen mijdt hij de kust, de haven en de vissersboot; wie hem buiten het broedseizoen wil zien, moet het land achter zich laten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt rondom de noordpool: in Alaska, arctisch Canada, Groenland, Noord-Scandinavië en Siberië. De winter brengt hij door op zee op het zuidelijk halfrond, vooral boven de rijke wateren voor de kust van Zuid-Amerika en zuidelijk Afrika — buiten het kaartvenster van deze gids. De trek verloopt grotendeels ver uit de kust, zodat de kaart hier alleen laat zien waar hij regelmatig te zien is: het broedgebied en de kustwateren waar hij vanaf een boot of een kaap wordt waargenomen, niet de volle oceaanroute die hij werkelijk aflegt. Hoeveel paren gaan broeden hangt af van de lemmingstand: in een slecht lemmingjaar slaat een groot deel van de vogels het broeden over en zie je op de toendra vrijwel geen jongen.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De beste kans is een boottocht naar diep water eind augustus of in september voor de kust van Californië, Oregon of Washington, of in het oosten boven de Golfstroom. Let op de vlucht — licht, zwevend en tern-achtig — en op de vleugel: geen opvallende witte vlek in de handpen betekent bijna zeker deze soort. Bij jonge vogels, die de staartpennen nog missen, geven de twee stomp afgeronde middelste staartveren en de scherp afgetekende donkere snavelpunt de doorslag.

Staat van instandhouding

De broedpopulatie wordt op ongeveer 1,7 miljoen vogels geschat en de soort geldt als niet bedreigd. De aantallen wisselen van jaar tot jaar sterk mee met de lemmingcyclus, en de opwarming van de toendra maakt die cyclus op veel plaatsen vlakker en onvoorspelbaarder. Een vogel die driekwart van het jaar op open zee doorbrengt is bovendien slecht te tellen: de schattingen zijn ruim en de trend is voor het grootste deel van het areaal onbekend.

Wetenschappelijke naam

Stercorarius longicaudus | Vieillot, 1819

Vieillot beschreef de soort in 1819 als Stercorarius longicaudus. Auteur en jaartal staan hier niet tussen haakjes, en dat betekent iets: de soort staat nog altijd in het geslacht waarin ze is beschreven. Stercorarius is Latijn voor 'van de mest', van stercus; de naam komt uit het oude misverstand dat wat een opgejaagde zeevogel uitbraakt — en wat de jager dan opvangt — zijn uitwerpselen zouden zijn. longicaudus is samengesteld uit longus (lang) en cauda (staart), naar de twee verlengde staartpennen. Als herkomst gaf Vieillot 'het noorden van Europa, Azië en Amerika'; de typelocatie is later beperkt tot Noord-Europa.