Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen, sterns en schaarbekken › Mexicaanse meeuw

Mexicaanse meeuw | Larus livens

Yellow-footed Gull | Gaviota de Cortés

De mexicaanse meeuw is de enige grote meeuw met knalgele poten onder een leigrijszwarte rug, en hij hoort maar op één plek thuis: de eilanden en kusten van de Golf van Californië. Na het broeden trekken enkele honderden vogels noordwaarts naar de Salton Sea, de enige plaats in de Verenigde Staten waar hij jaarlijks te vinden is. Met ongeveer veertigduizend vogels heeft hij een van de kleinste arealen van alle meeuwen ter wereld.

Mexicaanse meeuw (Larus livens)
Hoofdfoto · Foto: Rosario — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een zwaar, hees geschreeuw, merkbaar lager en voller dan dat van de californische meeuw, waarmee hij verder veel deelt. De lange roep begint met enkele diepe, gerekte noten en gaat over in een snelle dalende reeks, met de kop eerst omlaag en daarna ver naar achteren geworpen. Bij het nest klinkt een kort, nasaal alarm, en tussen partners een zacht mauwend kie-oew. In augustus is het aan de westoever van de Salton Sea het luidste geluid boven het water.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een zeer grote, zwaargebouwde meeuw: witte kop en onderdelen, een leigrijszwarte mantel en bovenvleugel, en een snavel die zelfs voor een grote meeuw fors is — geel, met een bolle punt en een grote rode vlek op de ondersnavel. Het kenmerk waar alles om draait zijn de poten: bij de volwassen vogel helder geel, bij eerstejaars vogels nog vleeskleurig, en in het tweede jaar al vergelend. Anders dan de meeste grote meeuwen doet hij er maar drie jaar over om volwassen te worden: een tweedejaars vogel heeft de rug al grotendeels donker, waar een even oude californische meeuw nog bruin en vlekkerig is. Eerstejaars vogels zijn overwegend bruin met een zwarte snavel en een donker masker rond het oog. In de vlucht is de hand breed en de vleugelpunt vrijwel geheel zwart, met weinig wit.

Verwarrings­soorten

De californische meeuw (Larus occidentalis) is de enige soort waarmee hij werkelijk te verwarren valt — hij werd er tot in de jaren zestig als ondersoort bij gerekend — maar heeft roze poten in plaats van gele, een iets minder zware snavel en vier in plaats van drie jaar tot volwassenheid; de arealen raken elkaar bovendien nauwelijks. Aan de Salton Sea staat hij tussen ringsnavelmeeuwen (Larus delawarensis) en californiameeuwen (Larus californicus): beide zijn veel kleiner en veel lichter grijs op de mantel, en de californiameeuw heeft groengele poten en een dunne snavel met zowel een zwarte als een rode vlek. Van de amerikaanse zilvermeeuw (Larus smithsonianus) scheelt hij de mantelkleur — bijna zwart tegenover lichtgrijs — en opnieuw de pootkleur, want die is bij de zilvermeeuw op elke leeftijd dofroze. Bij twijfel: kijk eerst naar de poten, en tel dan aan het verenkleed de jaren.

Leefgebied

Broedt op de kale woestijneilanden en zandkusten van de Golf van Californië, in kolonies van twaalf tot vijftien paren en soms tot enkele honderden, met de nesten in een rij vlak boven de vloedlijn. Foerageert langs stranden, in de getijdenzone, in vissershavens en op zee tot enkele kilometers uit de kust. Buiten de broedtijd komt hij aan de kale, zoute oevers van de Salton Sea en op de ondergelopen akkers daarachter. Ver landinwaarts of ver op open zee is hij zelden te vinden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het hele areaal ligt in de Golf van Californië, van Roca Consag in het noorden tot de baai van La Paz in het zuiden, en langs beide oevers: Baja California en Sonora. Vanaf eind juni trekken vogels noordwaarts naar de Salton Sea in Californië, met de hoogste aantallen in augustus; een deel blijft daar de winter over. Die noordwaartse beweging is in de loop van de twintigste eeuw toegenomen — waar het vroeger om losse vogels ging, gaat het nu om enkele honderden. Daarbuiten is de soort een uitgesproken zeldzaamheid, met slechts een handvol waarnemingen langs de Pacifische kust.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

De eenvoudigste plek is de westoever van de Salton Sea in augustus: rijd de oever af tot je een meeuw ziet die duidelijk groter is dan alles eromheen, en kijk dan naar de poten. Wie hem in de broedtijd wil zien moet de boot nemen in de Golf van Californië, maar vanaf de vaste wal bij San Felipe of Bahía de los Ángeles staat hij het hele jaar door aan de vloedlijn.

Staat van instandhouding

De populatie wordt op ongeveer veertigduizend vogels geschat en lijkt stabiel; de Rode Lijst rekent de soort tot de minst zorgelijke categorie, maar Partners in Flight zet haar wegens het kleine areaal op de gele waarschuwingslijst. De grootste bedreiging is verstoring op de broedeilanden: bezoekers die hele kolonies laten opvliegen, en het rapen van eieren. Overbevissing en vervuiling van de Golf van Californië spelen op de achtergrond mee.

Wetenschappelijke naam

Larus livens | Dwight, 1919

Jonathan Dwight beschreef de vogel in 1919 als Larus occidentalis livens, dus als ondersoort van de californische meeuw; omdat het geslacht sindsdien niet is veranderd, staan auteur en jaartal zonder haakjes. Pas in de jaren zestig werd hij als eigen soort erkend. livens is Latijn voor loodkleurig of blauwzwart en slaat op de donkere mantel, niet op de poten waar zijn Nederlandse en Engelse naam naar verwijzen. Het beschreven exemplaar kwam van Isla San José, een eiland voor de oostkust van Baja California Sur.