Alle soortenDuikersDuikers › Roodkeelduiker

Roodkeelduiker | Gavia stellata

Red-throated Loon | Colimbo chico

De roodkeelduiker is de kleinste en lichtste van de duikers, een familie van zware, laag in het water liggende viseters met de poten helemaal achter aan het lichaam. Hij is de enige die vanaf het land kan opstijgen en die met een poeltje van enkele tientallen meters genoegen neemt, en de enige met een effen donkere rug in zomerkleed. De roestrode keelvlek waaraan hij zijn naam dankt, is in het winterkleed volledig verdwenen.

Roodkeelduiker (Gavia stellata)
Foto: ALAN SCHMIERER — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

In het broedgebied is hij luidruchtig: een snelle, ganzenachtige reeks ka-ka-ka in de vlucht, een kort blaffend alarm bij het nest, en een laag kreunend contactgeluid tussen partners. Het opvallendst is de lange, miauwende jammerklacht die in toonhoogte daalt en over de toendra kilometers ver draagt; paren zingen die in duet, met een hard, pulserend gekoer als tegenstem. Bij een grensconflict komt daar een schor geratel bij, gegeven terwijl beide vogels met gestrekte hals half rennend, half vliegend over het water gaan. Op de wintergronden op zee zwijgt hij vrijwel altijd.

Luister: ZangXC1157241

Opname: Teet Sirotkin — CC BY-SA 4.0 · Stormyra, Kongsfjord, Finnmark, Norway · xeno-canto

Herkenning

Een slanke duiker met een dunne, spitse snavel die kenmerkend schuin omhoog wordt gedragen, en een smalle kop op een dunne hals. In zomerkleed zijn kop en zijhals egaal grijs, met een driehoekige roestrode vlek op de voorhals, zwart-witte lengtestrepen op de achterhals, en een effen donkerbruine rug zonder enige tekening — daarin verschilt hij van alle andere duikers. In winterkleed is de bovenzijde donker met een dichte, fijne witte spikkeling, de onderzijde en het gezicht wit, en de grens tussen donker en licht loopt hoog en onscherp over de hals, zodat het gezicht opvallend wit oogt. Jonge vogels lijken op de wintervogel maar zijn grijzer, met een grauwere hals en een bleke snavel. In vlucht hangt de kop lager dan het lichaam, is de vleugelslag snel, en oogt het silhouet smaller en lichter dan bij de andere duikers.

Verwarrings­soorten

De grotere duikers van het geslacht Gavia, waarvan de ijsduiker (Gavia immer) de bekendste is, hebben een zwaardere snavel die recht vooruit wordt gedragen, een dikkere hals en in winterkleed een egaal donkere rug; bij hen loopt de grens tussen de donkere kap en de witte keel scherp en laag, terwijl die bij de roodkeelduiker hoog en vaag is en het gezicht wit laat. In zomerkleed is het verschil eenvoudig: alleen de roodkeelduiker heeft een effen rug, zonder wit blokpatroon. De roodhalsfuut (Podiceps grisegena) wordt er op zee mee verward, maar is kleiner, heeft een gele snavelbasis, een kortere hals en een witte vleugelspiegel die in vlucht meteen opvalt. Aalscholvers liggen even laag in het water, maar hebben een haak aan de snavelpunt, een lange staart, en houden de kop steiler omhoog.

Leefgebied

Broedt op kleine, ondiepe poelen en meertjes in de toendra en aan de rand van het naaldbos, tot hoog in de bergen; het nest ligt binnen een halve meter van de waterkant, want lopen kan hij nauwelijks. Anders dan de grotere duikers hoeft het broedwater geen vis te bevatten: hij vliegt dagelijks naar zee of naar een groot meer om te vissen en brengt de prooi in de snavel terug naar het jong. In de winter leeft hij op ondiep zeewater — beschutte baaien, estuaria, de zone achter de branding en de zandbanken voor de kust — en zelden ver uit de kust. Diep oceaanwater en snelstromende rivieren gebruikt hij niet.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt rond de hele Noordpool, en van alle duikers het verst naar het noorden: in Noord-Amerika van westelijk en noordelijk Alaska over de Canadese arctische eilanden en het noordelijke vasteland tot Labrador, langs de kusten van de Hudsonbaai, en over heel Groenland tot in de uiterste noordkust. Buiten dit werelddeel broedt hij in IJsland, Noord-Schotland, Scandinavië en Noord-Siberië, zodat hij ook op de Europese kaart staat. In de winter ligt hij langs beide kusten: aan de Grote Oceaan van Zuid-Alaska tot Neder-Californië, aan de Atlantische kust van Newfoundland tot Florida en verder tot in de noordelijke Golf van Mexico. Op de Grote Meren komt hij vooral op doortrek, soms in aanzienlijke aantallen; elders in het binnenland is hij een schaarse verschijning.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Aan de Atlantische kust is november tot maart de tijd: kijk vanaf een pier of een strandhoofd naar vogels die net achter de branding liggen, en let op de omhooggerichte snavel en het opvallend witte gezicht. Op doortrek, in oktober en november, gaat hij in losse groepjes laag over zee, met de kop lager dan het lichaam — een silhouet dat op grote afstand van elke andere zeevogel te scheiden is. Wie hem in zomerkleed wil zien, moet naar de toendra van Alaska of Noord-Canada, waar hij in juni op vrijwel elk poeltje kan liggen. Zoek daar naar de vogel die af en aan naar de kust vliegt: dat is bijna altijd deze soort.

Staat van instandhouding

Partners in Flight schat de Noord-Amerikaanse broedpopulatie op ongeveer tweehonderdzestigduizend vogels; wereldwijd wordt met twee- tot zeshonderdduizend vogels gerekend, met een dalende trend. In Alaska namen de aantallen tussen 1971 en 1993 met ruim de helft af; die daling is daarna tot stilstand gekomen zonder dat het oude niveau is teruggekeerd. De gevaren liggen vooral op zee: olie op het water in de overwinteringsgebieden, verdrinking in staande netten, en verstoring van de ondiepe kustwateren waar hij de winter doorbrengt. Op de broedpoelen zelf is hij gevoelig voor verstoring, omdat een verjaagde vogel het nest maar moeilijk terugbereikt.

Wetenschappelijke naam

Gavia stellata | (Pontoppidan, 1763)

De Deense bisschop en natuuronderzoeker Erik Pontoppidan beschreef de soort in 1763 als Colymbus stellatus, in het geslacht waarin toen ook de futen stonden; omdat ze later naar Gavia is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Gavia is een Latijns woord dat bij Plinius een niet nader bepaalde zeevogel aanduidt. stellata betekent 'met sterren bezet', naar de dichte witte spikkeling op de rug van de wintervogel — het kleed waarin hij in West-Europa het vaakst werd gezien. De typelocatie is de rivier de Tame in Warwickshire in Engeland, aangewezen op grond van de beschrijving die Francis Willughby een eeuw eerder had gegeven.