Alle soortenHoenderachtigenFazantachtigen › Zwarte frankolijn

Zwarte frankolijn | Francolinus francolinus

Black Francolin | Francolín ventrinegro

De zwarte frankolijn is een gedrongen hoenderachtige die zijn opvallende verenkleed zelden laat zien: het mannetje draagt een vrijwel zwarte borst bezaaid met witte stippen en een kastanjebruine halsband, maar houdt zich schuil in dicht gras totdat de roep hem verraadt. In Noord-Amerika bestaat de soort alleen uit kleine, uitgezette populaties — het meest gevestigd op Hawaï, met enkele overlevende groepen in Louisiana en Florida. Oorspronkelijk komt hij voor van Cyprus tot in het noordoosten van India, waar hij al eeuwenlang als jachtvogel wordt gehouden.

Zwarte frankolijn (Francolinus francolinus)
Foto: Tisha Mukherjee — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep van het mannetje is het geluid waarmee de meeste vogelaars hem vinden, want zien lukt zelden: een enkele scherpe, metalige noot, gevolgd door een korte stilte en dan een serie van vier of vijf schorre, ratelende tonen — ruwweg tik... krek-krek-krek-krek. Hij roept meestal vanaf een lichte verhoging aan de rand van het gras, vroeg in de ochtend en tegen zonsondergang, en herhaalt de reeks minutenlang. In de vlucht maken de vleugels een luid, snorrend geluid dat op zichzelf al verraadt dat er een frankolijn is opgeschrikt. Buiten deze roepbuien is hij grotendeels stil.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Het mannetje is van geen andere Noord-Amerikaanse hoenderachtige te verwarren: kop, hals en borst zijn vrijwel egaal zwart, onderbroken door een brede kastanjebruine halsband en scherpe witte stippen op de flanken, met een geel-zwart getekende rug en een staart met fijne zebrastrepen. Het vrouwtje is veel onopvallender, warm bruin met een dichte, fijne zwart-witte tekening over het hele lijf, een klein oranje vlekje in de nek en een toets kastanjebruin. Beide seksen hebben de gedrongen, ronde vorm en de korte staart van een hoenderachtige, ongeveer tussen een californische kuifkwartel en een fazant in grootte. Jonge vogels lijken op het vrouwtje maar zijn doffer en minder scherp getekend. Op de grond loopt hij met de kop laag tussen het gras, en pas bij naderend gevaar vliegt hij met een korte, snorrende sprint op.

Verwarrings­soorten

Op Hawaï deelt hij het terrein met de grijze frankolijn (Ortygornis pondicerianus), die egaal grijsbruin geschubd is en het zwart-met-wit van het mannetje volledig mist. De aziatische steenpatrijs is groter en effen grijsbruin met een scherpe zwarte halsband rond een wit keelveld en een rode snavel, in plaats van de zwarte kop en de witte stippen van de zwarte frankolijn. Het vrouwtje van de fazant (Phasianus colchicus) is beduidend groter, met een veel langere puntige staart en een egaler, minder scherp zwart-wit getekend verenkleed. In Florida en Louisiana is hij de enige hoenderachtige met dit patroon, en komt verwarring vooral voort uit de schuwheid van de vogel zelf, die zich zelden laat zien.

Leefgebied

Hij zoekt open grasland en laag struweel met voldoende dekking om zich in te verstoppen, vaak in de buurt van akkers, suikerrietvelden of irrigatiekanalen. Op Hawaï is dat vooral droog weiland en doornig kiawe-struweel op de lagere hellingen; in Louisiana en Florida gaat het om vochtig grasland en de ruige randen van rijst- en veeteeltgebieden. Dicht bos en kale, onbegroeide grond mijdt hij allebei. Water hoeft niet permanent aanwezig te zijn, maar de vogel houdt zich zelden ver van een sloot, kanaal of vochtige laagte.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

In Noord-Amerika is de zwarte frankolijn een uitheemse soort met een klein, verspreid areaal: standvogel op de eilanden Hawaï, Maui en Kauai, waar hij sinds 1959 als jachtvogel is uitgezet, en met kleine, plaatselijke populaties in het zuidwesten van Louisiana en het zuiden van Florida na introducties in de jaren zestig. Oorspronkelijk komt de soort voor van Cyprus en het oostelijke Middellandse Zeegebied door het Midden-Oosten tot Pakistan, India en Myanmar. Hij trekt niet en verspreidt zich nauwelijks uit zichzelf; elke Noord-Amerikaanse populatie blijft daarom beperkt tot het gebied waar ze ooit is losgelaten.

  • Jaarrond
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem vroeg in de ochtend langs de rand van open grasland op Hawaï, waar het mannetje van een kleine verhoging roept voordat de hitte van de dag begint; wie op het geluid afgaat heeft meer kans dan wie loopt te zoeken. In Florida en Louisiana is geduld nodig: de kleine populaties zijn schaars en schuw, en een vogel die tussen het gras wegloopt is vaker de enige waarneming van de dag dan een vogel die zich laat bekijken.

Staat van instandhouding

Wereldwijd geldt de zwarte frankolijn als niet bedreigd, met een ruime verspreiding in Azië. De Noord-Amerikaanse populaties zijn klein en volledig van de oorspronkelijke uitzetting afhankelijk: op Hawaï houdt de soort goed stand, maar de restjes in Louisiana en Florida blijven kwetsbaar voor verder verlies van het overgebleven grasland. Hij wordt er lokaal bejaagd als jachtwild, wat de aantallen niet lijkt te bedreigen zolang er habitat overblijft.

Wetenschappelijke naam

Francolinus francolinus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Tetrao Francolinus, bij de auerhoenders; omdat ze sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Francolinus gaat terug op het Italiaanse francolino, door middeleeuwse jagers gebruikt voor een gewaardeerde jachtvogel; de herkomst van dat woord zelf is onzeker. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. De typelocatie is later tot Cyprus beperkt; Linnaeus zelf gaf geen exacte plaats op.